
1922 — waar het verhaal van ado begint
De oorsprong van ado ligt in de arbeidstherapie van sanatorium Berg en Bosch. In de jaren twintig maakten patiënten die herstelden van tuberculose houten producten en speelgoed als voorbereiding op hun terugkeer naar het arbeidsleven.
Onze naam droeg die oorsprong letterlijk in zich: ado stond aanvankelijk voor ‘Arbeid Door Onvolwaardigen’. ‘Onvolwaardigen’ is een historische term die we vandaag niet meer voor mensen zouden gebruiken. In deze context verwees hij naar mensen die door ziekte nog niet volledig konden terugkeren in het arbeidsproces.
Vanaf het midden van de jaren twintig kreeg ons speelgoed onder werkplaatsleider en ontwerper Ko Verzuu een steeds herkenbaarder karakter. In 1933 verhuisden Berg en Bosch en de speelgoedproductie van Apeldoorn naar Bilthoven. Zo groeide een sociale werkplaats uit tot de oorsprong van een Nederlandse ontwerpgeschiedenis die inmiddels meer dan een eeuw beslaat.
Ko Verzuu — de man achter ado
Ko Verzuu (1901–1971) was een van de bepalende personen in de geschiedenis van ado. Bij Berg en Bosch kreeg hij de leiding over de werkplaats voor mannelijke patiënten, waar onder meer houten speelgoed werd gemaakt als onderdeel van de arbeidstherapie.
Onder zijn leiding ontwikkelde ado vanaf het midden van de jaren twintig een herkenbare vormentaal van eenvoudige vormen, krachtige kleuren en bewust weggelaten details. De ado-catalogus 1934–1935 noemt vijf eigenschappen van het speelgoed: moderne modellen, degelijke constructie, echte kinderkleuren, beschaafd karakter en opvoedende waarde — met daarbij expliciet: ‘ontwerpen van Ko Verzuu’.
Verzuu wilde niet ieder detail voor het kind invullen. Door vormen terug te brengen tot het wezenlijke bleef ruimte over om zelf te ontdekken en te fantaseren.
De ado werkplaatsen — meer dan een fabriek
De oorsprong van ado is onlosmakelijk verbonden met Berg en Bosch. In de werkplaatsen kregen patiënten door arbeidstherapie de mogelijkheid om tijdens hun herstel weer actief en vakmatig bezig te zijn.
Onder leiding van Ko Verzuu groeide dit uit tot een professionele productieomgeving. Hout werd er bewerkt, onderdelen werden vervaardigd en speelgoed werd zorgvuldig opgebouwd en afgewerkt.
Kwaliteit was geen latere merkbelofte, maar stond al in de historische catalogi centraal. In 1934–1935 noemt ado ‘degelijke constructie’ als een van de vijf karakteristieke eigenschappen van het speelgoed. De aanvullingscatalogus van 1938 stelt dat eigen ideeën en eigen stijl ‘in kwaliteit en afwerking’ onder het merk ado werden gewaarborgd. In 1955–1956 noemt de catalogus ado-speelgoed ‘in kwaliteit en degelijkheid niet te evenaren’ en spreekt hij over speelgoed waaraan een kind zich hecht en dat daarom blijvend moet zijn.
Die herhaling over meerdere decennia maakt kwaliteit, degelijkheid en zorgvuldige afwerking tot een aantoonbare rode draad in de historische identiteit van ado.
1932 — van Nederland tot Nederlands-Indië
ado was al vroeg meer dan een lokaal of uitsluitend Nederlands speelgoedmerk. In 1932 werd ons speelgoed al verkocht in ruim 100 plaatsen in Nederland én in het toenmalige Nederlands-Indië, waaronder Batavia, Bandoeng, Soerabaja, Soerakarta, Semarang en Magelang.
Lees over Ko Verzuu in deze periode
Ons bereik ging verder. In diezelfde periode schreven we: ‘Zelfs in de kinderkamer van het machtige S.S. Statendam vindt men ado speelgoed.’ Ons speelgoed was daarmee in 1932 niet alleen via verkooppunten over Nederland verspreid, maar werd ook in Nederlands-Indië verkocht en was aan boord van een Nederlands passagiersschip aanwezig.
De historische plaatsnamen zijn bewust behouden. Batavia is het huidige Jakarta; Bandoeng heet nu Bandung, Soerabaja Surabaya en Soerakarta Surakarta. De verkoop in Nederlands-Indië hoort bij de koloniale context van die periode.
Iconische ontwerpen uit het ado-archief
ado als Nederlands design
ado groeide uit tot meer dan speelgoed alleen. Onder Ko Verzuu ontstond een herkenbare vormentaal van heldere kleuren en strakke, eenvoudige vormen. CODA beschouwt de ontwerpen uit de periode 1925–1955 inmiddels als objecten van grote cultuur- en kunsthistorische waarde.
De ontwerpen worden vaak geplaatst binnen de ontwikkeling van het Nederlandse modernisme en vertonen duidelijke raakvlakken met De Stijl en het werk van ontwerpers als Gerrit Rietveld. Tegelijkertijd ontwikkelde ado een geheel eigen ontwerpfilosofie, waarin het kind en zijn fantasie centraal stonden.
Die positie reikte tot ver buiten Nederland. In 2016 en 2017 was ado in Japan te zien in de tentoonstelling Dutch Modern Design Rietveld / Bruna / ado, naast het werk van Gerrit Rietveld en Dick Bruna. De bijbehorende tentoonstellingscatalogus besteedt afzonderlijk aandacht aan ado en Ko Verzuu en plaatst het speelgoed binnen de Nederlandse designgeschiedenis.
Kwaliteit als rode draad
Door de generaties heen bleven dezelfde uitgangspunten terugkomen: sterke constructie, kwaliteit van grondstoffen, zorgvuldige afwerking en speelgoed dat bedoeld is om lang mee te gaan.
Al in 1932 presenteert ado zijn speelgoed als ‘sterk en niet duur’ en stelt de catalogus dat goed speelgoed een kind blijft boeien. In 1934–1935 noemt ado degelijke constructie naast moderne modellen, echte kinderkleuren, beschaafd karakter en opvoedende waarde. Bij de sulky’s en kindermeubels staat bovendien dat er veel namaak is, maar dat alleen ado ‘prima kwaliteit en mooie afwerking’ levert.
De catalogus 1939–1940 zegt dat eigen ideeën en eigen stijl ‘in kwaliteit en afwerking’ onder het merk ado worden gewaarborgd. Verder staat er dat ado uitsluitend de beste materialen gebruikt en dat het merk ‘kwaliteit in materiaal en uitvoering’ handhaaft.
In 1941 vat ado zijn uitgangspunten samen als ‘sterke constructie’, ‘onschadelijk materiaal’, levendige kleuren, beschaafd karakter en opvoedende waarde. Rond 1950 wordt de kwaliteitsgedachte nog concreter: ‘KWALITEIT van grondstoffen, constructie en afwerking waarborgt een LANGE LEVENSDUUR’. In 1953 schrijft ado dat de naam een begrip is geworden voor degelijk speelgoed met pedagogische waarde.
Deze herhaling over verschillende decennia maakt kwaliteit, degelijkheid en lange gebruiksduur tot een aantoonbare rode draad in ado’s historische identiteit.
Rond 1950 — ontworpen om lang mee te gaan
Voor ado betekende kwaliteit nooit alleen dat iets er goed uitzag. Rond 1950 legden we al rechtstreeks het verband tussen materiaalkeuze, constructie, afwerking en levensduur: ‘KWALITEIT van grondstoffen, constructie en afwerking waarborgt een LANGE LEVENSDUUR’.
Speelgoed maken om lang mee te gaan hoort dus al vroeg bij onze productgedachte. Dat is iets anders dan een moderne claim over duurzaamheid of certificering: hier vertellen we wat kwaliteit binnen ado historisch betekende en nog altijd voor ons merk betekent.
Van werkplaats naar Nederlands design
Wat begon binnen de arbeidstherapie groeide uit tot een Nederlands speelgoedmerk met een geheel eigen vormentaal. In 1933 verhuisden Berg en Bosch en de ado-productie van Apeldoorn naar Bilthoven.
Na het vertrek van Ko Verzuu in 1955 bleef ado zich ontwikkelen. Pieter van Gelder kreeg in 1957 een opdracht voor vijf ado-artikelen. Eind jaren vijftig ontwierp ook Monika Buch nieuw speelgoed voor ado; haar ontwerpen verschenen in de catalogus van 1959.
In 1962 werd het ado-pakket met rechten en materialen overgenomen door de Stichting Sociale Werkvoorziening Zeist en omstreken. Daarmee begon een nieuwe productieperiode die tot 2006 zou duren.
1955–1959 — nieuwe ontwerpers na Ko Verzuu
De ontwerpgeschiedenis van ado bestaat uit verschillende generaties. Ko Verzuu bepaalde vanaf de jaren twintig decennialang de herkenbare vormentaal van het speelgoed. Na zijn vertrek kreeg Pieter van Gelder in 1957 een opdracht voor vijf artikelen. Eind jaren vijftig ontwikkelde Monika Buch nieuw speelgoed dat in de catalogus van 1959 verscheen.
Pieter van Gelder · Monika Buch · Ko Verzuu
Door deze ontwerpers afzonderlijk te documenteren wordt zichtbaar hoe ado zich door de tijd ontwikkelde: niet als één onveranderlijke stijl, maar als een merk waarin verschillende ontwerpers vanuit hun eigen visie werkten aan speelgoed voor kinderen.
Jaren vijftig — ruimte voor het kind
We ontwerpen speelgoed niet om het spel vooraf helemaal vast te leggen. Het kind moet zelf kunnen onderzoeken, combineren, bouwen en nieuwe mogelijkheden ontdekken.
Dat uitgangspunt loopt al lang door onze geschiedenis. In de jaren vijftig schreven we dat de vorm eenvoudig en helder moet zijn, zodat de fantasie van het kind niet wordt doodgedrukt. In 1959 brachten we hetzelfde idee terug tot een paar woorden: ‘speelgoed heeft onuitputtelijke mogelijkheden’ en ‘wat een speelmogelijkheden!’.
Daarom bestond ons assortiment niet alleen uit herkenbare voertuigen en meubels, maar ook uit blokken, stapelkubussen, bouwstenen en onderdelen waarmee een kind zelf verder kon. Die ruimte voor eigen gebruik en verbeelding hoort bij de manier waarop ado naar spelen kijkt.
Meer dan een eeuw ado
1962 — ado verhuist naar Zeist
In 1962 verhuisde onze productie van Bilthoven naar de Stichting Sociale Werkvoorziening Zeist en omstreken. Het ado-pakket — met rechten en materialen — ging mee. De Zeister organisatie werkte toen al jaren met hout. Zo bleef de verbinding tussen ado, houtvakmanschap en sociaal werk bestaan, maar begon tegelijk een nieuwe periode in onze productgeschiedenis.
Met die overgang kreeg ook onze naam een nieuwe betekenis. Waar ado oorspronkelijk stond voor ‘Arbeid Door Onvolwaardigen’, werd ado vanaf 1962 uitgelegd als ‘Apart, Doelmatig, Onverwoestbaar’. De oude betekenis hoort bij de taal en sociale context van de eerste helft van de twintigste eeuw.
In Zeist werd aanvankelijk verder gewerkt met bestaand ado-speelgoed. Daarna ontwikkelde het assortiment zich verder en kwamen onder meer andere speelproducten en kindermeubilair in beeld. De ado-productie in Zeist bleef bestaan tot 2006.
Van speelgoed naar een bredere wereld voor kinderen
Na de verhuizing naar Zeist in 1962 veranderde ons assortiment mee met de tijd. Naast het bestaande speelgoed kwamen steeds meer producten in beeld voor de bredere omgeving waarin kinderen spelen, zitten en bewegen.
De felgekleurde auto's en blokkendozen uit eerdere perioden maakten geleidelijk meer plaats voor onder meer blankhouten loop- en trekproducten en kindermeubilair. Daarmee kreeg de Zeister periode een ander productbeeld dan de klassieke Verzuu-jaren, terwijl hout als belangrijk materiaal aanwezig bleef.
In Zeist ontstonden later ook nieuwe ado-ontwerpen. Die ontwikkeling vormt de brug naar de kindermeubels en andere producten die in de volgende delen van onze geschiedenis een eigen plaats krijgen.

1986 — de Apollo
In 1986 ontstond binnen ado in Zeist de Apollo, naar aanleiding van de Utrechtse ruimtevaartmanifestatie Space ’86. Oud-medewerker Femme de Boer vertelt hoe hij het idee samen met collega’s binnen ado verder uitwerkte tot een serie houten kindermeubels.
De Apollo-kinderstoel, nr. 3017, is herkenbaar aan zijn hoge rugleuning en grote ronde opening. Stoel en tafel werden als samenhangend ontwerp ontwikkeld, met aandacht voor vorm, functie en doelmatig materiaalgebruik.
Apollo laat zien hoe onze ontwerpgeschiedenis zich ook in de Zeister periode bleef ontwikkelen.
1994–2016 — ado in musea en internationaal
In 1994 kreeg ado een kleine tentoonstelling in Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam. Daarbij verscheen ADO-speelgoed = ADO-toys van Frederike Huygen en Johannes Teutenberg, een Nederlands-Engelse publicatie over onze ontwerpgeschiedenis.
In 2016 stond ado in Tokyo Opera City Art Gallery naast Gerrit Rietveld en Dick Bruna in Dutch Modern Design: Rietveld / Bruna / ADO. Voor het eerst werd ado-speelgoed in Japan in deze museale context gepresenteerd. De tentoonstelling bracht drie verschillende Nederlandse ontwerpwerelden samen en plaatste ado daarmee binnen een bredere geschiedenis van Nederlands design.
Historische ado-objecten uit de jaren twintig en dertig bevinden zich onder meer in collecties van CODA Museum, The Museum of Modern Art (MoMA) en Kunstmuseum Den Haag. Die vroege objecten horen chronologisch bij de Verzuu-periode en worden daarom verder uitgewerkt op de pagina over Ko Verzuu.
2006 — het einde van de productie in Zeist
In augustus 2006 stopte na 44 jaar de ado-productie bij de sociale werkvoorziening in Zeist. Daarmee kwam een einde aan de productieperiode die daar in 1962 was begonnen.
Een deel van onze geschiedenis bleef in Zeist bewaard. De ado-speelgoedcollectie die nog bij de sociale werkvoorziening aanwezig was, werd overgedragen aan het Zeister Historisch Genootschap.
2006–2022 — ado verder in Ede
Na het einde van de productie in Zeist ging ado verder in Ede onder Berend Zewuster. Berend nam ado over met de bedoeling om niet alleen het speelgoed, maar ook de sociale kant van het merk voort te zetten.
In Ede werd opnieuw gewerkt met mensen voor wie een gewone plek op de arbeidsmarkt niet vanzelfsprekend was. Eerst gebeurde dat in samenwerking met Permar; later werkte Berend met een vaste groep medewerkers met een beperking.
Zo kreeg ado na Zeist een nieuw hoofdstuk, maar bleef de verbinding tussen houten speelgoed, vakmanschap en sociaal werken bestaan.
2022 — een nieuw hoofdstuk voor ado
In 2022, precies honderd jaar na het ontstaan van ado, droeg Berend Zewuster het merk over aan de broers Jeroen en Bas Zijlstra. Daarmee begon op een bijzonder moment een nieuw hoofdstuk in onze geschiedenis.
Met ado namen Jeroen en Bas niet alleen het merk over, maar ook wat Berend in al die jaren had bewaard en opgebouwd: de ado-werkplaatsen, historische stukken en een geschiedenis die teruggaat tot 1922.
De overdracht had bovendien een persoonlijke voorgeschiedenis. Jeroen en Bas zaten vroeger op Het Streek in Ede, waar Berend schooldirecteur was. Jaren later kwamen hun wegen opnieuw samen rond ado.
Vanuit Ede bouwen we verder op meer dan een eeuw ado. We brengen de geschiedenis, ontwerpen en verhalen van het merk opnieuw samen en werken aan de toekomst van ado voor nieuwe generaties kinderen, ouders en liefhebbers van design.
Daarbij kijken we niet alleen terug. We onderzoeken wat ado vandaag en morgen kan zijn, met respect voor wat sinds 1922 is opgebouwd.
Wat in 1922 begon, gaat verder.